Afscheid


Ze komen nog bij me eten een paar dagen voordat ze gaan.
In een verzengende hitte komen ze met een gehuurde bus vol dingen die ze niet met hun huis willen meeverhuren. En onderweg, ja hoor: blub blub knars knars, pech gehad, auto kapot en aan de kant van de weg wachten op de Wegenwacht.
Denk je lekker te gaan zeilen. Blijkt dit soort dingen er allemaal bij te horen.
Enfin, eerst moeten al die spullen naar de tweede verdieping gesjouwd worden.
Doodmoe maar voornamelijk zo vreselijk verhit zitten ze dan toch aan mijn eetkamertafel. Ik ben druk met het aandragen van spijs en drank. Of het nu is uit beleefdheid tegenover mij, ik weet het niet maar hun humeur lijkt nergens onder geleden te hebben en het wordt ontzettend gezellig.
“Wat is nou het ergste wat je kan overkomen” vraag ik geanimeerd. Het botsen op een slapende walvis, is het antwoord. Later hoor ik dat een drijvende zeecontainer ook niet best is.
Hemeltjelief, met zulke informatie doen de hersens van een oude achterblijvende moeder merkwaardige dingen.
“Wat gaan jullie nou het meeste missen?” vraag ik om het beeld van de slapende kolos te verdringen. Precies, maar dan ook precies tegelijkertijd floepen er twee antwoorden uit: “een douche” [zij] en “internet” [hij]. Met een brede glimlach bedenk ik dat ze zichzelf erg goed beschreven hebben.

Het etentje is voorbij. Wel thuis, ik hoop dat het rotbusje het tot Utrecht uithoudt. Dikke zoenen, wuiven, dahag.

Terug op het tuinpad naar de voordeur loopt er een traan over mn wang. Ik zal ze missen. Goeie reis lieverds.


Schoe